ECLI:NL:RBDHA:2021:12230
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens ontbreken causaal verband bij intrekking vergoedingen advocaat
Verzoeker, een advocaat, had schadevergoeding gevraagd van het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand wegens onrechtmatige intrekking van vergoedingen voor verleende rechtsbijstand. De hoogste bestuursrechter had geoordeeld dat de intrekkingsbesluiten onrechtmatig waren omdat niet kon worden vastgesteld of de werkzaamheden waren verricht. Verzoeker stelde dat deze besluiten hebben geleid tot zijn schorsing en schrapping van het advocatentableau, met reputatieschade en inkomensverlies tot gevolg.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de intrekkingsbesluiten onrechtmatig waren, het dossieronderzoek dat eraan voorafging niet onrechtmatig was en dat verweerder rechtmatig had gehandeld in dat kader. Cruciaal was of er een causaal verband bestond tussen de onrechtmatige besluiten en de schade. De rechtbank stelde vast dat de schorsing en schrapping ook zonder deze besluiten zouden hebben plaatsgevonden vanwege andere ernstige feiten en omstandigheden die de tuchtrechter had vastgesteld.
Daarom concludeerde de rechtbank dat het verband tussen de intrekkingsbesluiten en de schade te zwak was om vergoeding te rechtvaardigen. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens ontbreken van causaal verband tussen de onrechtmatige intrekkingsbesluiten en de schade.