ECLI:NL:RVS:2018:3480
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing uitkering schadefonds geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectief bewijs
Appellant vroeg een uitkering aan uit het schadefonds geweldsmisdrijven na een vermeend geweldsincident op 5 juli 2013 waarbij hij letsel aan zijn gebit zou hebben opgelopen. De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag af omdat er geen objectieve aanwijzingen waren dat het geweldsmisdrijf had plaatsgevonden. De aangifte van appellant leverde geen aanknopingspunten voor opsporing op en de medische verklaring gaf geen duidelijkheid over het ontstaan van het letsel.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt dit oordeel. Appellant stelde dat zijn aangifte en de tandartsverklaring voldoende waren en verwees naar eerdere vergelijkbare uitspraken waarin uitkeringen werden toegekend. De Raad overweegt echter dat een eigen verklaring onvoldoende is en dat objectieve aanwijzingen noodzakelijk zijn om aannemelijk te maken dat sprake is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.
De Raad benadrukt dat de CSG terecht gewicht heeft toegekend aan het feit dat appellant katvanger was en dat hij pas later aangifte deed en naar de tandarts ging. Er is onvoldoende duidelijkheid over wat er precies is gebeurd en of appellant een eigen aandeel had in het incident. De eerdere uitspraken waarop appellant zich beroept zijn niet relevant vanwege andere feiten en omstandigheden. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitkering uit het schadefonds bevestigd.