ECLI:NL:RVS:2018:1329
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing intrekking bewonersparkeervergunning wegens vergunningenplafond
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bewonersparkeervergunning van de wederpartij in op grond van een vergunningenplafond van nul in het betreffende vergunninggebied. De rechtbank verklaarde het beroep van de wederpartij gegrond en vernietigde het besluit op bezwaar, omdat het college niet bevoegd was de vergunning op deze grond in te trekken.
Het college stelde in hoger beroep dat de intrekking wel op juiste wettelijke gronden was gebaseerd, onder meer op artikel 9 van Pro het Uitwerkingsbesluit parkeerverordening stadsdeel Zuid 2014 en de Parkeerverordening 2013. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het college niet bevoegd is een vergunning in te trekken wegens het bereiken van een vergunningenplafond, omdat dit niet valt onder de voorwaarden genoemd in artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Parkeerverordening 2013.
Daarnaast stelde de Afdeling vast dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de wederpartij daadwerkelijk over een stallingsplaats kon beschikken, wat ook een grond was voor intrekking. De Afdeling vernietigde het besluit op bezwaar van 13 juni 2017 wegens strijd met de zorgvuldigheid en bepaalde dat het college binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van de uitspraak.
Tot slot werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en werd bepaald dat tegen het nieuwe besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van het college wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de bewonersparkeervergunning wordt vernietigd.