ECLI:NL:RVS:2018:1188
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- D.A.C. Slump
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot wijziging geboorteland in basisregistratie personen
Appellant, geboren in Oost-Jeruzalem en van Palestijnse afkomst, verzocht het college om zijn geboorteland in de basisregistratie personen (brp) te wijzigen van "Israël" naar "Palestina" of "het Bezette Palestijnse Gebied". Het college wees dit verzoek af op grond van de Landentabel die bepaalt dat geboorteland alleen kan worden geregistreerd als een door Nederland erkend land. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond, maar vernietigde het besluit wegens onvoldoende motivering omtrent artikel 8 EVRM Pro.
In hoger beroep bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak dat het college gebonden is aan de Landentabel en het Logisch Ontwerp GBA, waarin Palestina als geboorteland niet kan worden geregistreerd omdat het mandaatgebied Palestina per 14 mei 1948 is geëindigd en het Bezette Palestijnse Gebied niet in de Landentabel is opgenomen. De ministeriële richtlijn schrijft voor dat in gevallen als deze het geboorteland op verzoek kan worden gewijzigd naar 'Onbekend', maar appellant weigerde dit.
De Afdeling overwoog dat de registratie van het geboorteland Israël geen schending vormt van het recht op eerbiediging van het privéleven (artikel 8 EVRM Pro), omdat geboorteland en etnische identiteit juridisch onderscheiden moeten worden en appellant zijn Palestijnse identiteit ook buiten de brp kan uiten. De Afdeling concludeert dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het verzoek tot wijziging van het geboorteland in de brp is bevestigd.