Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 11 oktober 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Tot slot is door de consolidatie en uitbreiding van de bezetting van Israël van de Palestijnse gebieden sprake van een voortdurende schending van internationaal recht en van de rechten van Palestijnen, waaronder hun zelfbeschikkingsrecht, zoals onder meer neergelegd in artikel 1 van Pro het IVBPR.
Eiser heeft tot slot een beroep gedaan op artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het recht op privéleven. Volgens eiser is zijn Palestijnse identiteit onderdeel van zijn privéleven. Zijn geboorte in Palestijns gebied hoort daarbij. Eiser identificeert zich met de Palestijnse zaak. Het is voor hem pijnlijk geconfronteerd te worden met de continue schending van het internationaal recht door Israël. De opname van het geboorteland “Israël” (dan wel “Onbekend”) ervaart eiser als pijnlijk en vernederend. Eiser beroept zich op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake Christine Goodwin tegen het Verenigd Koninkrijk, 11 juli 2002 (Application 2 8957/95), in het bijzonder paragraaf 84 en 85. Voor de beoordeling of het niet opnemen van Palestina als geboorteland een inbreuk is op het privéleven van eiser is van belang of er een duidelijke internationale trend is die wijst op een bepaald standpunt over de relevante materie. Er is sprake van toenemende erkenning van Palestina als zelfstandige staat. In paragraaf 91 van de zaak Goodwin concludeert het EHRM dat praktische, juridische en technische obstakels met betrekking tot het voldoen aan de verplichtingen onder artikel 8 van Pro het EVRM geen overtuigende argumenten bieden zolang deze niet onoverkomelijk zijn. Verweerder kan daarom niet tegenwerpen dat het register geen mogelijkheid biedt voor de inschrijving als geboren in “Palestina” of geboren in “Het Bezette Palestijnse gebied”. Verweerder kan in dat opzicht evenmin verwijzen naar gebondenheid aan de landelijke landentabel en de Richtlijn uitgevaardigd door een hoger bestuursorgaan. Van lidstaten wordt verwacht een bepaalde mate van “ongemak” te tolereren ten einde individuen de mogelijkheid te geven om in waardigheid te leven conform artikel 8 EVRM Pro. Mogelijke politieke verontwaardiging wanneer de registratie wordt gewijzigd is immers disproportioneel aan het belang van eiser om in waardigheid te leven. Verweerder is onvoldoende ingegaan op het beroep van eiser op artikel 8 van Pro het EVRM, aldus eiser.
Uit de toelichting die eiser ter zitting heeft gegeven, blijkt ook dat hij zelf veel belang hecht aan de inschrijving in de BRP in relatie tot zijn Palestijnse identiteit. Eiser heeft betoogd dat hij op belangrijke momenten in zijn leven wordt geconfronteerde met zijn geboorteland, omdat het geboorteland terugkomt op belangrijke documenten zoals een diploma, een identiteitsdocument of een Verklaring omtrent gedrag. Eiser kampt met het negatieve imago dat Palestijnen hebben en zou dit negatieve imago door zijn gedrag willen doorbreken. Door de vermelding van zijn geboorteland als “Palestina” of “Het Bezette Palestijnse gebied” zou eiser een positieve link kunnen leggen tussen zijn afkomst en zijn manier van doen.
De rechtbank volgt verweerders standpunt ter zitting dat de inschrijving in de BRP de identiteit van eiser niet raakt dan ook niet.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;