ECLI:NL:RVS:2017:993
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- C.M. Wissels
- E.A. Minderhoud
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging sluitingsbesluit bedrijfspand wegens ontbreken daadwerkelijke drugshandel
De burgemeester van Den Haag legde op 5 oktober 2015 een last onder bestuursdwang op tot sluiting van het bedrijfspand van [wederpartij] voor 12 maanden, vanwege de vondst van 40,7 kilogram cocaïne in een container bestemd voor het pand. De burgemeester handhaafde dit besluit bij bezwaar, maar de rechtbank vernietigde het besluit en oordeelde dat de burgemeester niet bevoegd was tot sluiting omdat geen daadwerkelijke drugshandel vanuit het pand was vastgesteld.
De burgemeester ging in hoger beroep en voerde aan dat er wel aanwijzingen waren voor drugshandel, waaronder eerdere meldingen en een eerdere vondst van cocaïne in pallets bestemd voor [wederpartij]. Ook stelde hij dat de handelingen van de aandeelhouder als handelingen tot overdracht van drugs konden worden aangemerkt. Daarnaast voerde hij subsidiair aan dat hij het pand preventief mocht sluiten op grond van artikel 5:7 Awb Pro.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat artikel 13b, eerste lid, Opiumwet alleen bevoegdheid geeft bij daadwerkelijke verkoop, aflevering of verstrekking van drugs, niet bij een poging of dreiging daarvan. Omdat in het pand geen drugs waren aangetroffen en er geen aanwijzingen waren voor daadwerkelijke handel, was de burgemeester niet bevoegd. Het subsidiaire betoog faalde omdat het gevaar voor overtreding niet meer bestond nadat de drugs waren onderschept.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de burgemeester tot vergoeding van proceskosten. Hiermee is het sluitingsbesluit definitief vernietigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de burgemeester niet bevoegd was tot sluiting van het bedrijfspand wegens ontbreken van daadwerkelijke drugshandel.