ECLI:NL:RVS:2017:3186
Raad van State
- Hoger beroep
- A.W.M. Bijloos
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens tewerkstelling zonder vergunning van Bulgaarse werknemers
De minister legde aan appellante een boete van €24.000 op wegens het laten verrichten van werkzaamheden door drie Bulgaarse vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning in de periode oktober tot november 2013. Appellante betwistte de boete onder meer met een beroep op het EU Handvest, het gelijkheidsbeginsel, de betrouwbaarheid van verklaringen van de vreemdelingen, zelfstandigheid van de werknemers en de datum van de laatste ambtshandeling.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het opleggen van drie afzonderlijke boetes geen dubbele bestraffing vormt en dat de boete terecht is gebaseerd op drie verschillende overtredingen. Het gelijkheidsbeginsel werd niet geschonden omdat in een andere zaak sprake was van een schijnconstructie, terwijl hier appellante als rechtspersoon terecht werd beboet. De verklaringen van de vreemdelingen werden als betrouwbaar beoordeeld, ondanks bezwaren over taalgebruik en tolkgebruik.
Verder concludeerde de Afdeling dat de vreemdelingen niet als zelfstandigen maar als werknemers onder gezagsverhouding van appellante werkten, waardoor de tewerkstellingsvergunningplicht van toepassing was. Ten slotte werd geoordeeld dat de laatste ambtshandeling op 30 november 2014 plaatsvond, zodat geen reden was voor matiging van de boete. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €24.000 wegens het laten werken van drie Bulgaarse werknemers zonder tewerkstellingsvergunning.