ECLI:NL:RVS:2017:3139
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A.C. Slump
- A.B.M. Hent
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging partnerstatus voor toeslagen bij gezamenlijke inschrijving zonder schriftelijke huurovereenkomst
In deze zaak betwistte appellante de partnerstatus die de Belastingdienst/Toeslagen aan persoon A toekende op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Appellante en persoon A stonden in 2015 ingeschreven op hetzelfde adres en hadden een minderjarig kind, maar zij huurden elk een kamer op basis van een mondelinge overeenkomst en voerden aan geen gemeenschappelijke huishouding te voeren.
De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht persoon A als toeslagpartner had aangemerkt, omdat de wetgever bewust een objectief criterium heeft gekozen waarbij inschrijving op hetzelfde adres met een minderjarig kind leidt tot partnerstatus, tenzij sprake is van een schriftelijke huurovereenkomst die zakelijke huur van een gedeelte van de woning bewijst.
Appellante voerde aan dat de strikte toepassing van deze bepaling onredelijk is, maar de Afdeling benadrukte dat de wetgever bewust heeft gekozen voor objectieve en verifieerbare criteria om de uitvoering van toeslagen te vereenvoudigen. Omdat appellante geen schriftelijke huurovereenkomst kon overleggen, kon de uitzondering op het partnerbegrip niet worden toegepast.
De Afdeling bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de partnerstatus wordt bevestigd.