ECLI:NL:RVS:2018:470
Raad van State
- Hoger beroep
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging partnerstatus voor toeslagbepaling bij onzelfstandige woonruimte zonder schriftelijke huurovereenkomst
In deze zaak gaat het om de vraag of appellant en haar verhuurder als toeslagpartners moeten worden aangemerkt voor de vaststelling van het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag over 2014. Appellant huurde twee kamers in een woning van verhuurder, waarbij sprake was van een onzelfstandige woonruimte en gezamenlijke inschrijving in de basisregistratie personen (BRP).
De Belastingdienst/Toeslagen stelde het gezamenlijke toetsingsinkomen vast op basis van de partnerstatus, wat leidde tot een lagere toeslag. Appellant voerde aan dat er sprake was van een huurrelatie op zakelijke gronden, waarbij een mondelinge huurovereenkomst en huurbetaling in natura voldoende zouden zijn. De rechtbank oordeelde echter dat zonder schriftelijke huurovereenkomst de uitzondering op het partnerbegrip niet van toepassing is.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt dit oordeel. De wet vereist een schriftelijke huurovereenkomst om de uitzondering op het partnerbegrip toe te passen. De Belastingdienst/Toeslagen hoefde appellant niet te informeren over de mogelijke partnerstatus, omdat het aan de aanvrager is om zich te informeren en te voldoen aan de voorwaarden.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toeslagpartnerstatus van appellant en verhuurder bevestigd.