ECLI:NL:RVS:2017:2865
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- J.E.M. Polak
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen met matiging en onderzoek naar Unierechtelijke aspecten
De minister legde aan [appellante] een boete van €33.000 op wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), specifiek artikelen 2 en 15. De rechtbank Limburg matigde de boete tot €25.000 en verklaarde het beroep van [appellante] gegrond. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het hoger beroep.
[Appellante] voerde aan dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan naar het Unierechtelijke verblijfsrecht van de betrokken vreemdelingen, die mogelijk zonder tewerkstellingsvergunning mochten werken. De Afdeling oordeelde dat de minister voldoende onderzoek had verricht en dat de stellingen van [appellante] onvoldoende concreet waren om het Unierecht in te roepen.
Verder werd geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte een boeteverhoging van 50% toepaste zonder deugdelijke motivering, zodat het oude boetenormbedrag van €1.500 per overtreding van artikel 15 moest Pro gelden. Ten aanzien van de overtreding van artikel 2 werd Pro de boete niet gematigd omdat [appellante] onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij zich voldoende had ingespannen om overtredingen te voorkomen.
De Afdeling vernietigde het deel van het vonnis waarin de boete op €25.000 werd vastgesteld en stelde zelf de boete vast op €22.000. Daarnaast veroordeelde zij de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De boete aan [appellante] wordt vastgesteld op €22.000, met gedeeltelijke vernietiging van het vonnis rechtbank en vergoeding van proceskosten.