ECLI:NL:RVS:2017:2572
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- G. Van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over verantwoordelijkheidsbepaling lidstaat bij asielverzoeken volgens Dublinverordening
De zaak betreft een vreemdeling van Syrische nationaliteit die in Nederland een verzoek om internationale bescherming indiende, terwijl Duitsland als verantwoordelijke lidstaat was aangewezen op grond van de Dublinverordening. De staatssecretaris nam het Nederlandse verzoek niet in behandeling, waarna de rechtbank dit besluit vernietigde. De staatssecretaris ging in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onderzocht of de Dublinverordening zo moet worden uitgelegd dat slechts de lidstaat waar het eerste verzoek om internationale bescherming is ingediend, bevoegd is om de verantwoordelijke lidstaat vast te stellen en dat alleen in die lidstaat een beroep kan worden gedaan op de verantwoordelijkheidscriteria van hoofdstuk III, waaronder artikel 9.
De Afdeling concludeert dat de Dublinverordening beoogt een snelle en eenduidige bepaling van de verantwoordelijke lidstaat te waarborgen, waarbij slechts één lidstaat belast is met deze taak. Dit voorkomt forumshopping en bevordert rechtszekerheid. De Afdeling wijst erop dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie hierover niet expliciet is en dat de arresten Ghezelbash en Karim aanleiding geven tot twijfel. Daarom legt de Afdeling prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie.
De vragen betreffen de uitleg van de exclusieve bevoegdheid van de eerste lidstaat en de betekenis van het feit of in die lidstaat al een besluit is genomen of het verzoek voortijdig is ingetrokken. De behandeling van het hoger beroep wordt geschorst totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan.
Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep wordt geschorst in afwachting van prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie.