ECLI:NL:RVS:2017:2254
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek buiten beschouwing laten inkomen medebewoner bij huurtoeslag
De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen uitspraken van de rechtbank Den Haag, waarin haar verzoek om bij de huurtoeslag over 2013 en 2014 rekening te houden met een bijzondere situatie werd afgewezen. De appellant woont samen met haar meerderjarige dochter die haar verzorgt vanwege dementie. De dochter staat als medebewoner geregistreerd en ontvangt een persoonsgebonden budget.
De Belastingdienst/Toeslagen had het inkomen van de dochter betrokken bij de berekening van de huurtoeslag, omdat het gezamenlijke inkomen van appellant en dochter de wettelijke inkomensgrenzen overschreed. De rechtbank had dit standpunt gevolgd en de beroepen ongegrond verklaard.
De Raad van State overweegt dat de verzorgingsbehoefte vaststaat, maar dat de hardheidsclausule van artikel 2a van het Besluit op de huurtoeslag alleen geldt indien aan strikte voorwaarden wordt voldaan, waaronder inkomensgrenzen. Die zijn in deze zaak overschreden. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat geen concrete toezeggingen of vergelijkbare gevallen zijn aangetoond. Ten slotte is het horen van appellant in bezwaar terecht achterwege gelaten omdat geen twijfel bestond over de uitkomst.
De Raad van State bevestigt de aangevallen uitspraken en verklaart de hoger beroepen ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van het verzoek om het inkomen van de medebewoner buiten beschouwing te laten bij de huurtoeslag.