ECLI:NL:RVS:2016:3282
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen afwijzing visum kort verblijf
De vreemdeling, met de Ghanese nationaliteit, verzocht om een visum voor kort verblijf om bij haar moeder in Nederland te verblijven. De minister van Buitenlandse Zaken wees dit verzoek op 12 augustus 2015 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 31 maart 2016. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de vreemdeling gelijkgesteld wordt met een familielid van een burger van de Unie, waardoor de regels van Richtlijn 2004/38/EG en Verordening (EG) nr. 539/2001 van toepassing zijn. Volgens artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 staat tegen uitspraken over visums voor een verblijf van 90 dagen of minder geen hoger beroep open.
Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Tevens werd het betaalde griffierecht van €251,- aan de vreemdeling terugbetaald. De uitspraak werd gedaan door lid van de enkelvoudige kamer N. Verheij op 7 december 2016.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen en beveelt terugbetaling van het griffierecht.