ECLI:NL:RVS:2016:2630
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening kinderopvangtoeslag naar nihil wegens onvolledige overeenkomsten en niet-betaalde kosten
De Belastingdienst/Toeslagen heeft bij besluiten van 18 juli 2012 en 3 juli 2013 de voorschotten en definitieve kinderopvangtoeslag van appellant voor de jaren 2008, 2009 en 2010 herzien naar nihil. Dit vanwege onvolledige overeenkomsten met gastouderbureaus en het niet volledig betalen van de kosten door appellant.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat appellant geen recht had op kinderopvangtoeslag over genoemde jaren, omdat niet aan de wettelijke eisen was voldaan en appellant niet alle kosten had betaald. Tevens werd geoordeeld dat de termijnen van artikel 19 Awir Pro geen belemmering vormden voor de herziening en dat de Belastingdienst niet in strijd met het legaliteits-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel had gehandeld.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de herziening niet toegestaan was vanwege termijnoverschrijding, dat de overeenkomsten wel voldeden, dat zij kosten had betaald en dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp deze gronden, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de herziening binnen de wettelijke termijn was verricht, dat de wettelijke eisen aan de overeenkomsten gelden, dat een deelbetaling niet automatisch recht geeft op een evenredige toeslag, en dat het gelijkheidsbeginsel niet was geschonden.
De Afdeling stelde vast dat het horen van appellant in bezwaar kon worden achterwege gelaten omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de kinderopvangtoeslag naar nihil bevestigd.