ECLI:NL:RVS:2016:2480

Raad van State

Datum uitspraak
14 september 2016
Publicatiedatum
14 september 2016
Zaaknummer
201506846/1/V6
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins-de Vin
  • H.G. Sevenster
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet arbeid vreemdelingenArt. 8:88 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging boetebesluit Wet arbeid vreemdelingen wegens overschrijding redelijke termijn

Bij besluit van 4 januari 2012 legde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een boete van € 552.000,- op aan appellant wegens 69 overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Na bezwaar werd de boete door de minister verlaagd naar € 276.000,-. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het bezwaarbesluit en stelde de boete vast op € 245.500,-. Zowel appellant als de minister stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het hoger beroep op 19 mei 2016. Uit eerdere uitspraken volgde dat het hoger beroep van de minister ongegrond was en dat van appellant gegrond. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bezwaarbesluit en herroept het oorspronkelijke boetebesluit van 4 januari 2012.

Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, waardoor zowel de minister als de Staat der Nederlanden krachtens artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht veroordeeld werden tot een vergoeding van € 1.000,- aan appellant. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.

Uitkomst: Het boetebesluit van 4 januari 2012 wordt herroepen en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

201506846/1/V6.
Datum uitspraak: 14 september 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],
2. de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2015 in zaak nr. 13/6031 in het geding tussen:
[appellante sub 1]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 4 januari 2012 heeft de minister [appellante sub 1] een boete opgelegd van € 552.000,00 wegens 69 overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen.
Bij besluit van 7 augustus 2013 heeft de minister het daartegen door [appellante sub 1] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 4 januari 2012 herroepen en de boete vastgesteld op € 276.000,00.
Bij uitspraak van 16 juli 2015 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante sub 1] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 augustus 2013 vernietigd, het besluit van 4 januari 2012 herroepen, de boete vastgesteld op € 245.500,00 en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] en de minister elk hoger beroep ingesteld.
[appellante sub 1] en de minister hebben elk een verweerschrift ingediend.
De minister heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2016, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. B.L.G.M. van Gemert, advocaat te Nijmegen, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.E. van der Kamp, C.K.M. van Tilburg, R.B. Kloosterman en L. Warnink, allen werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.
Overwegingen
1. De in de hoger beroepen opgeworpen rechtsvragen zijn reeds beantwoord in twee onderscheiden uitspraken van de Afdeling van heden, ECLI:NL:RVS:2016:2388 en ECLI:NL:RVS:2016:2389. Uit die uitspraken volgt dat het hoger beroep van de minister ongegrond is, het hoger beroep van [appellante sub 1] gegrond is, de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, het beroep tegen het besluit van 7 augustus 2013 gegrond moet worden verklaard, dat besluit moet worden vernietigd en het besluit van 4 januari 2012 moet worden herroepen. Verder worden net als in voormelde uitspraken wegens overschrijding van de redelijke termijn zowel de minister als de Staat der Nederlanden krachtens artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.000,00 aan [appellante sub 1].
2. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ongegrond;
II. verklaart het hoger beroep van [appellante sub 1] gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2015 in zaak nr. 13/6031;
IV. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;
V. vernietigt het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 7 augustus 2013, kenmerk WBJA/JA-WAV/1.2012.0359.001;
VI. herroept het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 4 januari 2012, kenmerk 071105707/03;
VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats van het vernietigde besluit treedt;
VIII. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om aan [appellante sub 1] te betalen een vergoeding van € 1.000,00 (zegge: duizend euro);
IX. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) om aan [appellante sub 1] te betalen een vergoeding van € 1.000,00 (zegge: duizend euro);
X. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.580,00 (zegge: vijfduizend vijfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
XI. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante sub 1] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 815,00 (zegge: achthonderdvijftien euro) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt;
XII. bepaalt dat van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een griffierecht van € 497,00 (zegge: vierhonderdzevenennegentig euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Elburg, griffier.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Elburg
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2016
670-800.