ECLI:NL:RVS:2016:2389
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging boete wegens ontbreken tewerkstellingsvergunning voor vreemdelingen
De minister legde [appellante sub 2] een boete van €552.000 op wegens 69 overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtten aan een spoorbrug.
De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante sub 2] gegrond en vernietigde het boetebesluit, omdat de minister niet had bewezen dat [appellante sub 2] als werkgever van de vreemdelingen kon worden aangemerkt. De minister stelde dat de vreemdelingen in dienst waren van [appellante sub 2], maar de Raad concludeerde dat de vreemdelingen feitelijk in dienst waren van [bedrijf 3], die de werkzaamheden leidde en verloning verzorgde.
De Raad overwoog dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet doorslaggevend is en dat feitelijk werkgeverschap bepalend is. De minister kon echter niet aantonen dat [appellante sub 2] de vreemdelingen daadwerkelijk had ingezet voor de beboete werkzaamheden. Het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2] verviel.
De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan [appellante sub 2].
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de boete aan [appellante sub 2] blijft vernietigd.