ECLI:NL:RVS:2016:1623
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen objectieve belemmering gezinsleven Irak bij aanvraag verblijfsvergunning regulier
De staatssecretaris wees de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier af wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf en vaardigde een inreisverbod uit. De rechtbank oordeelde dat het besluit- en vertrekmoratorium voor Irak een objectieve belemmering vormde om het gezinsleven in Irak uit te oefenen en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond.
De Raad van State stelde echter vast dat het moratorium betrekking heeft op asielaanvragen en niet op reguliere verblijfsaanvragen, en dat het betoog van de vreemdeling over de veiligheidssituatie nader onderzoek vereist in een asielprocedure. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het moratorium doorslaggevend achtte en dat de staatssecretaris terecht geen objectieve belemmering aannam.
Verder oordeelde de Raad dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro door de staatssecretaris zorgvuldig was gemaakt, waarbij rekening werd gehouden met het rechtmatig verblijf, het inburgeringsexamen, de situatie van de kinderen en de middelen van bestaan van de partner. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.