ECLI:NL:RVS:2007:BA2829
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit ongewenstverklaring vreemdeling ondanks gezinsbanden in Irak
Appellant is door de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie ongewenst verklaard bij besluit van 4 maart 2003. Na een ongegrond verklaard bezwaar op 6 februari 2006 en een afwijzing van het beroep door de rechtbank ’s-Gravenhage op 9 oktober 2006, stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State.
Appellant voerde aan dat de aanwezigheid van een verblijfsvergunning voor zijn echtgenote en dochter op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 een objectieve belemmering vormt voor de uitoefening van het familie- en gezinsleven in Irak, zoals bedoeld in de Vreemdelingencirculaire 2000. De Raad overwoog echter dat het beschermingsbeleid voor Centraal-Irak per januari 2006 was beëindigd, waardoor geen vermoeden van objectieve belemmering meer bestond.
De Raad concludeerde dat de grief faalt en dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank terecht is. Het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.