ECLI:NL:RVS:2015:1322
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat weigering verblijfsvergunning geen schending privéleven vreemdeling inhoudt
De staatssecretaris heeft bij besluiten van 9 augustus 2013 de aanvragen van meerdere vreemdelingen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. De rechtbank verklaarde de beroepen van de vreemdelingen gegrond en vernietigde de besluiten, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
In hoger beroep klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat zijn belangenafweging onvoldoende gemotiveerd was, met name ten aanzien van het recht op respect voor het privéleven van vreemdeling 1 zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro. De staatssecretaris stelt dat hij alle relevante feiten heeft meegewogen en dat de weigering een 'fair balance' vormt tussen het individuele belang en het algemeen belang.
De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt dat de rechtbank onvoldoende rekening hield met het feit dat de vreemdelingen niet langdurig rechtmatig verbleven en dat het categoriale beschermingsbeleid was beëindigd. Ook acht de Afdeling de door de staatssecretaris gemaakte belangenafweging zorgvuldig en voldoende gemotiveerd. De grieven van de staatssecretaris slagen, het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard.