ECLI:NL:RVS:2016:1089
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring onrechtmatig voortgezet zonder juiste wettelijke grondslag
Bij besluit van 13 oktober 2015 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank oordeelde dat deze maatregel ten onrechte was opgelegd en onrechtmatig voortduurde tot 25 oktober 2015, en kende een schadevergoeding toe.
De staatssecretaris stelde dat de maatregel op 13 oktober 2015 terecht was opgelegd en dat de voortzetting na 15 oktober 2015 niet onrechtmatig was, omdat de maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 zonder nieuw besluit zou zijn voortgezet. De Raad van State oordeelde dat de maatregel op 13 oktober 2015 terecht was opgelegd, maar dat de voortzetting vanaf 15 oktober 2015 onrechtmatig was omdat de staatssecretaris nagelaten had een nieuw besluit te nemen op juiste wettelijke grondslag.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover de vrijheidsontnemende maatregel vanaf 13 oktober 2015 onrechtmatig werd geacht en de schadevergoeding werd toegekend. In plaats daarvan kende de Afdeling een vergoeding toe voor de periode van 15 tot 25 oktober 2015, de dag van opheffing van de maatregel. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een juiste wettelijke grondslag voor vrijheidsontnemende maatregelen en de noodzaak tot tijdige besluitvorming bij wijziging van omstandigheden.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel was vanaf 15 oktober 2015 onrechtmatig voortgezet; vergoeding toegekend voor die periode.