ECLI:NL:RVS:2015:2055
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing vrijstelling schoolplicht
Appellant verzocht om vrijstelling van de verplichting dat zijn dochter de school geregeld bezoekt, omdat de school geen passend onderwijs bood. Het dagelijks bestuur wees dit verzoek af, waarna appellant bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, aangezien de dochter inmiddels op een andere school passend onderwijs volgt en geen strafrechtelijke stappen tegen appellant zijn genomen.
Appellant stelde dat er nog steeds een geschil bestaat en dat het recht op gezinsleven een inhoudelijke beoordeling vereist. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat het belang van appellant is komen te vervallen doordat de omstandigheden die aan het verzoek ten grondslag lagen niet meer aanwezig zijn. Ook achtte de Afdeling het niet aannemelijk dat zich in de toekomst een vergelijkbaar geschil zal voordoen.
Daarnaast werd het beroep op immateriële en materiële schade verworpen omdat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat deze schade het gevolg was van de weigering van de vrijstelling. Het verzoek om proceskostenveroordeling werd afgewezen omdat het dagelijks bestuur het besluit handhaafde en geen heroverweging plaatsvond.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bevestigd.