ECLI:NL:RVS:2014:924
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtsgevolgen verblijfsvergunning afwijzing en proceskostenveroordeling
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die het beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gegrond verklaarde.
De vreemdeling vreesde dat haar dochter bij terugkeer naar Nigeria het risico liep op vrouwenbesnijdenis, en beriep zich op bijzondere individuele omstandigheden voor voortgezet verblijf. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat van de vreemdeling kon worden gevergd Nederland te verlaten.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat de staatssecretaris in het aanvullende besluit voldoende heeft gemotiveerd dat de vreemdeling, met ondersteuning van organisaties zoals NAPTIP en IOM, in staat is zich te hervestigen en het risico te vermijden. De grief van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen, en de rechtsgevolgen van het oorspronkelijke besluit blijven in stand.
Daarnaast veroordeelt de Afdeling de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling ten bedrage van €487,00. De overige onderdelen van de uitspraak van de rechtbank blijven bevestigd.
Uitkomst: De rechtsgevolgen van het afwijzingsbesluit verblijfsvergunning blijven geheel in stand en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.