ECLI:NL:RVS:2014:870
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kindgebonden budget wegens niet-rechtmatig verblijf
De Belastingdienst wees de aanvragen van appellant om een kindgebonden budget voor 2011 en 2012 af omdat appellant geen rechtmatig verblijf in Nederland had en daardoor geen kinderbijslag ontving. Appellant stelde dat de weigering in strijd was met het non-discriminatiebeginsel en het recht op respect voor privé- en gezinsleven, alsmede met het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).
De rechtbank oordeelde dat de omstandigheden van appellant niet zodanig bijzonder waren dat de wettelijke koppeling tussen kinderbijslag en kindgebonden budget buiten toepassing kon worden gelaten. De Afdeling bevestigde dit oordeel en wees op vaste jurisprudentie dat het kindgebonden budget niet bedoeld is om het bestaansminimum te waarborgen en dat de belangen van het kind voldoende waren meegewogen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen schadevergoeding toegekend en ook geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het kindgebonden budget bevestigd.