ECLI:NL:RVS:2014:2727
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kindgebonden budget voor periode juni-september 2011
Appellante, met vijf kinderen waarvan vier minderjarig in 2011, maakte aanspraak op kindgebonden budget over het jaar 2011. De Belastingdienst stelde het kindgebonden budget definitief vast op €589,00 en verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de periode van 1 juni tot en met 30 september 2011, waarin appellante geen kinderbijslag ontving, terwijl haar moeder voor twee kinderen kindgebonden budget ontving. De Belastingdienst stelde dat noch appellante noch haar moeder in die periode recht hadden op kindgebonden budget. De Raad van State overwoog dat het recht op kindgebonden budget is gekoppeld aan het recht op kinderbijslag en dat de SVB in die periode geen kinderbijslag aan appellante betaalde.
Appellante voerde aan dat haar rechten en die van haar kinderen, waaronder het recht op privé- en gezinsleven en non-discriminatie, werden geschonden. De Raad van State verwierp deze betogen, stellende dat het onderscheid in het recht op kindgebonden budget objectief gerechtvaardigd is en dat er geen positieve verplichting bestaat om kindgebonden budget toe te kennen zonder kinderbijslag. Ook werden de internationale verdragsbepalingen niet direct toepasbaar geacht.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het kindgebonden budget over juni-september 2011 bevestigd.