ECLI:NL:RVS:2014:2725
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kindgebonden budget voor periode juni-september 2011
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van de Belastingdienst waarin het kindgebonden budget over 2011 definitief werd vastgesteld op €804,00. De kern van het geschil betrof de periode van 1 juni tot en met 30 september 2011, waarin appellante en haar dochter met drie minderjarige kleinkinderen samenwoonden. De Belastingdienst stelde dat noch appellante, noch haar dochter aanspraak had op kindgebonden budget in deze periode, omdat appellante geen kinderbijslag ontving en haar dochter pas vanaf 1 oktober 2011 rechtmatig verzekerd was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en deze uitspraak werd aangevochten in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Appellante voerde onder meer aan dat het weigeren van het kindgebonden budget in strijd was met het EVRM, het IVRK en het Europees Sociaal Handvest, en dat de belangen van haar kleinkinderen onvoldoende waren meegewogen.
De Afdeling overwoog dat het recht op kindgebonden budget gekoppeld is aan het recht op kinderbijslag en dat de beoordeling van het recht op kinderbijslag buiten haar toetsingsbevoegdheid valt. De Afdeling oordeelde dat de weigering van het kindgebonden budget gerechtvaardigd is en niet in strijd met de genoemde internationale verdragen. Ook werd geoordeeld dat er geen positieve verplichting bestaat tot verstrekking van kindgebonden budget in de betreffende periode en dat de omstandigheden van appellante geen bijzondere gronden vormen om hiervan af te wijken.
De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van kindgebonden budget over juni tot en met september 2011 bevestigd.