ECLI:NL:RVS:2014:843
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- M.A. Graaff-Haasnoot
- Rechtspraak.nl
CBR verplicht appellant tot medewerking aan geschiktheidsonderzoek na alcoholgebruik
Het CBR heeft appellant verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn geschiktheid om een motorrijtuig te besturen, naar aanleiding van een melding van de politie dat appellant op 5 februari 2012 een voertuig bestuurde met een bloedalcoholgehalte van 1,01 ‰. Tevens was appellant eerder in 2008 aangehouden met een hoog alcoholgehalte en had hij al deelgenomen aan een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA).
Appellant voerde aan dat hij op de bewuste datum geen bestuurshandelingen had verricht, ondanks dat hij op de bestuurdersstoel zat. De rechtbank oordeelde echter dat het CBR op goede gronden had besloten tot het opleggen van het onderzoek, mede vanwege verklaringen van appellant zelf en het proces-verbaal waarin het gebruik van alcohol werd vastgesteld.
De Raad van State bevestigt deze uitspraak en stelt dat het CBR voldoende zekerheid had dat appellant als bestuurder onder invloed was. Het feit dat de verbalisanten niet direct zagen dat appellant het voertuig bestuurde, doet hieraan niet af. Ook het niet ondertekenen van het proces-verbaal door appellant leidt niet tot twijfel over de juistheid ervan.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het besluit van het CBR dat appellant verplicht is mee te werken aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid.