ECLI:NL:RVS:2014:4777
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht vreemdeling naar Italië op grond van Dublinverordening
De staatssecretaris heeft op 22 september 2014 het verzoek van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om haar overdracht naar Italië te voorkomen.
De vreemdeling betoogde onder meer dat haar verklaringen over aankomst in Italië niet als indirect bewijs van illegale grensoverschrijding konden gelden, dat de staatssecretaris artikel 4 van Pro de Dublinverordening had geschonden door haar niet tijdig te informeren over het claimverzoek, dat het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur waren geschonden en dat overdracht naar Italië in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM Pro.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de staatssecretaris niet verplicht was de vreemdeling voorafgaand aan het claimverzoek te informeren en dat de indirecte bewijsvoering gegrond was gezien de instemming van Italië met de overname. Het gelijkheidsbeginsel was niet geschonden omdat de staatssecretaris een consistent beleid voert en het interstatelijk vertrouwensbeginsel garandeert een vergelijkbare behandeling in Italië. De vreemdeling maakte niet aannemelijk dat overdracht tot een schending van artikel 3 EVRM Pro zou leiden.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen overdracht naar Italië wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.