ECLI:NL:RVS:2014:2426
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B.P. Vermeulen
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens toepassing artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
De vreemdeling uit de Democratische Republiek Congo (DRC) diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister werd afgewezen. De rechtbank vernietigde dit besluit en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen. Zowel de vreemdeling als de staatssecretaris gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de grieven van de staatssecretaris deels gegrond verklaard, onder meer over de zorgvuldigheid van de besluitvorming en de waardering van bewijs, maar oordeelde dat de rechtbank terecht het besluit had vernietigd. De Afdeling bevestigde echter dat de staatssecretaris de aanvraag terecht heeft afgewezen op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, omdat de vreemdeling als president van het FNI mede verantwoordelijk was voor ernstige misdrijven.
Verder werd geoordeeld dat Nederland verantwoordelijk is voor de beoordeling van het risico op refoulement bij terugkeer naar de DRC, ondanks dat de vreemdeling tijdelijk door het Internationaal Strafhof werd gedetineerd. De beschermingsmaatregelen van het Strafhof en garanties van de Congolese autoriteiten bieden voldoende waarborg tegen een schending van artikel 3 EVRM Pro. De Afdeling veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel en verklaart de hoger beroepen ongegrond.