ECLI:NL:RVS:2013:BZ4983
Raad van State
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële verwijzing over grenzen beoordeling geloofwaardigheid seksuele gerichtheid bij asielaanvraag
In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de wijze waarop lidstaten de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid moeten beoordelen in asielprocedures. Dit volgt op eerdere jurisprudentie over de beoordeling van vrees voor vervolging wegens godsdienst en de erkenning dat subjectieve factoren meewegen.
De zaak betreft een vreemdeling die een verblijfsvergunning asiel heeft aangevraagd en wiens verzoek is afgewezen omdat de staatssecretaris zijn seksuele gerichtheid niet geloofwaardig achtte. De Afdeling overweegt dat verificatie van seksuele gerichtheid onderdeel is van de beoordeling, maar dat het Unierecht niet vereist dat lidstaten zonder meer uitgaan van de enkele stelling van de vreemdeling. Wel is onduidelijk welke grenzen het Handvest stelt aan de wijze van verificatie.
De Afdeling beschrijft de Nederlandse asielprocedure en de wijze waarop de staatssecretaris de geloofwaardigheid beoordeelt, inclusief het geven van het voordeel van de twijfel onder voorwaarden. De Afdeling erkent de complexiteit van het verifiëren van seksuele gerichtheid en de mogelijke culturele en psychologische belemmeringen die asielzoekers ervaren.
Gezien het ontbreken van jurisprudentie van het Hof over de grenzen die het Handvest stelt aan deze verificatie, acht de Afdeling het noodzakelijk om prejudiciële vragen te stellen over de grenzen die artikel 4 van Pro richtlijn 2004/83/EG en de artikelen 3 en 7 van het Handvest stellen aan de beoordeling van de geloofwaardigheid van een gestelde seksuele gerichtheid en of deze grenzen verschillen van die bij andere vervolgingsgronden.
De behandeling van het hoger beroep wordt geschorst totdat het Hof uitspraak heeft gedaan.
Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep wordt geschorst in afwachting van prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie over de grenzen aan de beoordeling van geloofwaardigheid van seksuele gerichtheid.