Uitspraak
200909931/1/H3, zijn bestuursorganen in het algemeen onvoldoende toegerust om onderzoek te doen naar het bestaan van ernstig gevaar in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob, aangezien zij geen toegang hebben tot de justitiële en fiscale registers en andere gesloten bronnen waartoe het Bureau toegang heeft. Deze omstandigheid brengt met zich dat het in veel gevallen in de rede zal liggen dat een bestuursorgaan het Bureau om advies vraagt indien het bestuursorgaan het bestaan van ernstig gevaar in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob vermoedt.
200707433/1en overweging 2.6.1 van de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Afdeling in zaak nr.
200701936/1.
200909931/1/H3, omdat haar handelen niet vergelijkbaar is met het handelen in de in die zaak omschreven situatie, aldus [appellante]. Bovendien was het zakelijk samenwerkingsverband in die situatie gebaseerd op verklaringen, hetgeen in de situatie van [appellante] niet het geval is. Het bevragen van bijvoorbeeld de belastingdienst, de bank en leveranciers had een duidelijk beeld kunnen opleveren dat alleen zij verantwoordelijk is voor de exploitatie. Volgens [appellante] heeft de rechtbank bij haar oordeel voorts ten onrechte mee laten wegen dat zij geen ervaring zou hebben in de prostitutiebranche. Bij dat oordeel is de rechtbank volgens [appellante] voorbij gegaan aan het feit dat haar echtgenoot al een aantal jaren werkzaam was als medewerker in een prostitutie-inrichting in Almelo. Zij betoogt ten slotte dat het [persoon] vrij stond een huurovereenkomst met haar aan te gaan. Gelet op de invloed die deze privaatrechtelijke rechtsbetrekking heeft op de verkrijging van een exploitatievergunning voor de seksinrichting, wordt het onmogelijk gemaakt een overeenkomst te sluiten, zodat het publiekrecht het privaatrecht op een onrechtmatige wijze doorkruist, aldus [appellante].
200606025/1) mag een bestuursorgaan afgaan op de expertise van het Bureau, tenzij de in het advies vermelde gegevens de bevindingen duidelijk niet kunnen dragen, bijvoorbeeld omdat ze daarvoor te weinig of te weinig directe aanwijzingen bieden of omdat ze in verschillende richtingen wijzen, onderling tegenstrijdig zijn of niet stroken met hetgeen overigens bekend is.
200909931/1/H3, berust op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak. Voor zover [appellante] met deze stelling beoogt te betogen dat de rechtbank voor haar oordeel dat nauwe verbondenheid bestaat tussen [appellante] en [persoon], mede gelet op de omstandigheid dat de huurovereenkomst eenvoudig kan worden gewijzigd, ten onrechte heeft gewezen op de uitspraak van 28 september 2011 in zaak nr.
201100191/1/H3, faalt dat betoog. De Afdeling wijst in dit verband (tevens) op haar uitspraak van 3 juni 2009 in zaak nr.
200807015/1/H3waarin zij heeft overwogen dat de rechtbank in dat geval terecht had overwogen dat de omstandigheid dat de huurovereenkomst kennelijk kan worden aangepast, de nauwe verbondenheid tussen betrokkenen bevestigt.
201102845/1/A3, overweegt de Afdeling als volgt. In zijn arrest van 27 september 2011, Hrdalo tegen Kroatië, nr. 23272/07 (www.echr.coe.int), heeft het EHRM overwogen dat de reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van het EVRM zich kan uitbreiden tot een bestuursrechtelijke procedure, indien er een zodanige band bestaat tussen die procedure en een parallel daarmee plaats hebbende strafrechtelijke procedure dat de bestuursrechtelijke procedure in feite leidt tot een vaststelling omtrent de schuld van betrokkenen, terwijl die niet onherroepelijk in de strafrechtelijke procedure is komen vast te staan.
200808942/1/H3en 20 juli 2011 in zaak nr.
200909931/1/H3. Bij de beoordeling of sprake is van ernstig gevaar in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet bibob mogen ook "criminal antecedents" van betrokkenen en hun "existing criminal record" worden betrokken (EHRM, Murat Bingöl tegen Nederland, beslissing van 20 maart 2012, nr. 18450/07; www.echr.coe.int). In het arrest van 21 maart 2000, Asan Rushiti tegen Oostenrijk, nr. 28389/95 (www.echr.coe.int), waarnaar [appellante] verwijst, heeft het EHRM overwogen dat het uiten van twijfel over iemands onschuld met betrekking tot feiten waarvan deze onherroepelijk is vrijgesproken, in strijd is met de onschuldpresumptie. Die situatie doet zich hier, anders dan [appellante] betoogt, echter niet voor naar het oordeel van de Afdeling.