ECLI:NL:RVS:2013:996
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondverklaring beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf op grond van gezinsbanden
De minister van Buitenlandse Zaken wees op 5 april 2011 de aanvragen van zeven vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de minister het bezwaar ongegrond. De rechtbank 's-Gravenhage oordeelde op 5 juli 2012 dat het beroep van vreemdelingen 1, 2, 3 en 4 gegrond was en vernietigde het besluit voor zover het deze vreemdelingen betrof, met de opdracht een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie stelde hiertegen hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beoordeelde dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat het besluit ondeugdelijk was gemotiveerd en dat de staatssecretaris niet mocht afzien van het horen van de vreemdelingen. De staatssecretaris had terecht geoordeeld dat de vreemdelingen onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij feitelijk tot het gezin van de referent behoorden ten tijde van diens vertrek uit Somalië.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank dat het beroep van vreemdelingen 1, 2, 3 en 4 gegrond verklaarde, en verklaarde het beroep van deze vreemdelingen alsnog ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van vreemdelingen 1, 2, 3 en 4 wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van hun mvv-aanvragen blijft in stand.