ECLI:NL:RVS:2011:BP4324
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling gezinsband vreemdeling met referent voor verblijfsvergunning
De vreemdeling, geboren in 1993, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) bij zijn in Nederland woonachtige broer, de referent. Na afwijzing door de minister en vernietiging van dit besluit door de rechtbank, stelde de minister hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdeling als adoptie- of pleegkind feitelijk tot het gezin van referent behoort, zoals vereist voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had geoordeeld dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom dit niet het geval zou zijn.
De Raad van State oordeelde echter dat de rechtbank ten onrechte de gezinssituatie vóór het overlijden van de moeder van de vreemdeling had betrokken en dat het peilmoment voor het gezinsverband het moment van vertrek van de referent uit het land van herkomst is. De vreemdeling verbleef slechts zeventien dagen na het overlijden van zijn moeder in het gezin van referent, die in die periode in detentie zat en zich voorbereidde op vertrek. Dit maakte het niet aannemelijk dat een pleegouder-kindrelatie bestond.
Verder faalde het beroep van de vreemdeling op het EVRM en het IVRK, evenals zijn betoog over het ontbreken van een hoorplicht. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister tot weigering van een mvv blijft in stand.