ECLI:NL:RVS:2012:BY7401
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsrecht op grond van analoge toepassing Richtlijn 2004/38/EG
De vreemdelingen hadden bij de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag ingediend voor afgifte van een verblijfsdocument op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Deze aanvragen werden afgewezen, en ook het bezwaar en het beroep bij de rechtbank werden ongegrond verklaard. De vreemdelingen stelden in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat geen aanleiding bestond voor analoge toepassing van Richtlijn 2004/38/EG, omdat zij aannemelijk hadden gemaakt dat zij reëel en daadwerkelijk in België verbleven.
De Raad van State overwoog dat de richtlijn van toepassing is op burgers van de Unie die zich in een andere lidstaat dan hun nationaliteit bevinden en op hun familieleden. Uit jurisprudentie volgt dat analoge toepassing mogelijk is indien een burger van de Unie na verblijf in een andere lidstaat met een familielid terugkeert naar de lidstaat van zijn nationaliteit. De vreemdelingen beriepen zich op een verklaring van inschrijving en verblijfskaart afgegeven door Belgische autoriteiten, maar konden niet aannemelijk maken dat het verblijf in België reëel en daadwerkelijk was.
De Raad van State stelde vast dat de vreemdelingen onvoldoende onderbouwden dat de Belgische autoriteiten een wooncontrole uitvoeren en dat de vermeende onderverhuur van een woning in Nederland niet was gemotiveerd. Hierdoor kon het standpunt van de staatssecretaris dat het verblijf in België niet aannemelijk was, standhouden. De grief faalde en het hoger beroep werd ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verblijfsrecht wordt bevestigd.