ECLI:NL:RVS:2011:BR0523
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.W.M. Bijloos
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boetes wegens overtreding tewerkstellingsvergunning Wet arbeid vreemdelingen
Bij besluiten van 27 april 2006 legde de minister aan twee ondernemingen elk een boete van €24.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De ondernemingen voerden aan dat de tewerkstellingsvergunning niet vereist was omdat de betrokken werknemers tijdelijk in Nederland werkten in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening en niet tot de Nederlandse arbeidsmarkt waren toegetreden.
De rechtbank verklaarde de beroepen van de ondernemingen gegrond en vernietigde de boetebesluiten. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, evenals de ondernemingen. De Raad van State stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat bevestigde dat een tewerkstellingsvergunning vereist kan zijn voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.
De Raad van State oordeelde dat de dienstverrichting bestond uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten en dat de boetes terecht waren opgelegd. De argumenten van de ondernemingen over het ontbreken van toezicht en het gebruik van gereedschap waren niet doorslaggevend. De minister hoefde geen aanvullend onderzoek te doen naar verdringing of marktconforme beloning. De boetes waren proportioneel en de redelijke termijn was niet overschreden.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, dat van de ondernemingen ongegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde de beroepen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boetes wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen en vernietigt het vonnis van de rechtbank.