ECLI:NL:RVS:2011:BQ3776
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende motivering minister over uitzonderlijke situatie in Zuid-Kivu DRC voor asielverlening
De vreemdeling uit Zuid-Kivu in de Democratische Republiek Congo (DRC) verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister van Justitie werd afgewezen op grond van het ontbreken van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15 van Pro de richtlijn 2004/83/EG.
De vreemdeling stelde dat de veiligheidssituatie in Zuid-Kivu aanzienlijk was verslechterd, onderbouwd met een ambtsbericht en rapporten van mensenrechtenorganisaties, waarin sprake was van grootschalige mensenrechtenschendingen, moordpartijen, verkrachtingen en plunderingen door gewapende groepen zoals de FDLR en Maï-Maï.
De minister handhaafde zijn standpunt dat het geweld niet zodanig hoog was dat iedere burger een reëel risico liep op ernstige schade, mede vanwege de grootte van het gebied. De rechtbank oordeelde echter dat het besluit van de minister ondeugdelijk was gemotiveerd en vernietigde dit.
De Raad van State bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de minister onvoldoende had toegelicht waarom de verslechterde situatie niet leidde tot een uitzonderlijke situatie die bescherming rechtvaardigt. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat het besluit van de minister ondeugdelijk is gemotiveerd en verklaart het hoger beroep ongegrond.