Uitspraak
200403288/1, dat de minister bij een overtreding in beginsel van de verwijtbaarheid ervan mag uitgaan, tenzij de desbetreffende werkgever feiten en omstandigheden aannemelijk maakt die tot het oordeel leiden dat hem ter zake van de overtreding geen verwijt treft. In situaties waarin de verwijtbaarheid volledig ontbreekt, wordt van boeteoplegging afgezien en een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen. De rechtbank heeft overwogen dat daar geen aanleiding voor bestaat. [appellante] heeft niet voldaan aan de eerste matigingsgrond van beleidsregel 33, vierde lid, aanhef en onder b, van de beleidsregels. Daarom is zij niet toegekomen aan de beoordeling van de vraag of [appellante] voldoet aan de vereisten van de overige matigingsgronden. Verder is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de minister de boete in strijd met het evenredigheidsbeginsel heeft opgelegd.
200806748/1/V6. De rechtbank heeft volgens haar ten onrechte slechts marginaal aan de beleidsregels getoetst en daarom zou de aangevallen uitspraak moeten worden vernietigd.
200805367/1/H3) bevat artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit geen opzet of schuld als bestanddeel en staat derhalve de overtreding vast indien aan de materiële voorwaarden van dat artikel is voldaan. In beginsel mag dan van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. Indien een werkgever betoogt dat hem ter zake van die overtreding geen enkel verwijt valt te maken, zal hij dit aannemelijk moeten maken. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank in strijd met de vaste jurisprudentie van de Afdeling heeft overwogen dat de minister van de verwijtbaarheid van de overtreding mocht uitgaan indien de overtreding van artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, gelezen in verbinding met artikel 3.16, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit is vastgesteld.