ECLI:NL:RVS:2010:BN5718
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- M.M. van der Smissen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing parkeervergunning ondanks inschrijving appellant per 1 juli 2009
Appellant vroeg een parkeervergunning aan, met vermelding dat hij op 29 juni 2009 op het adres woonachtig was en in de GBA stond ingeschreven. Het college wees de aanvraag op 1 juli 2009 af omdat uit controle bleek dat appellant toen nog niet in de GBA stond ingeschreven en er al twee vergunningen waren verstrekt op dat adres.
Na bezwaar bleek dat appellant per 1 juli 2009 wel was ingeschreven en dat de vorige bewoners waren vertrokken, waarna het college alsnog de vergunning verleende en proceskostenvergoeding toekende. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit ongegrond.
Appellant stelde dat het college onrechtmatig had gehandeld en dat de proceskostenvergoeding te laag was. De Raad van State oordeelde dat het college op het moment van beoordeling de aanvraag terecht afwees omdat appellant toen niet in de GBA stond ingeschreven. Ook was de proceskostenvergoeding correct vastgesteld, waarbij een kleine correctie van € 0,25 mogelijk was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de parkeervergunning door het college wordt bevestigd.