Uitspraak
200105188/1sluit de Afdeling zich aan bij hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen inzake het begrip oppervlaktewater in de zin van de Wvo.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Beuningen verleende op 10 maart 2009 een vergunning voor het veranderen van een pluimveeopfokbedrijf. Appellanten stelden beroep in tegen dit besluit vanwege onder meer onvolledige aanvraag, onjuiste toepassing van milieuregelgeving, onvoldoende milieueffectrapportage, geur- en geluidshinder.
De Raad van State oordeelde dat de aanvraag niet onvolledig was, de IPPC-richtlijn correct was geïmplementeerd, en dat het college terecht geen milieueffectrapportage verplicht stelde. Ook werd geoordeeld dat de geurbelasting binnen wettelijke normen bleef en dat de beste beschikbare technieken werden toegepast. De luchtkwaliteitsrapportage en emissiereducties werden als voldoende onderbouwd beoordeeld.
Echter, de Afdeling stelde vast dat het college onvoldoende onderzoek had verricht naar de geluidbelasting van de sleufsilo's, waardoor onzeker is of de geluidgrenswaarden worden nageleefd. Dit leidt tot schending van de zorgvuldigheidsplicht. Daarom werd het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover het de vergunning voor het gebruik van sleufsilo's betreft. Voor het overige werd het beroep ongegrond verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover het de vergunning voor het gebruik van sleufsilo's betreft.