Uitspraak
200507907/1 en 200508315/1, welke schorsing is gecontinueerd in de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2007 in zaak no.
200603057/1. De Afdeling volgt de minister niet in die stelling nu hangende beroep tegen de beslissing op bezwaar van 20 maart 2006 niet is verzocht een voorlopige voorziening te treffen, zodat de beslissing op bezwaar van 20 maart 2006 na afloop van de beroepstermijn in werking is getreden en rechtsgevolg heeft gehad, totdat het besluit in zoverre bij wijze van voorlopige voorziening is geschorst bij de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2007. In die periode heeft het besluit in zoverre rechtsgevolg gehad en bestond voor de raad van de gemeente Onderbanken de verplichting als bedoeld in artikel 40a van de WRO.
200603057/1
200608140/1), volgt uit de jurisprudentie van het EHRM, onder meer het eerdergenoemde arrest van 29 maart 2006 inzake Pizzati tegen Italië, dat bij overschrijding van de redelijke termijn voor het nemen van een besluit, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld. Niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de vereniging, [appellant sub 5] en [appellant sub 6] geen spanning en frustratie hebben ondervonden die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt.