Uitspraak
200604930/1) maar biedt artikel 32, derde lid, van het Bvr 2000 die grondslag wel indien die kostenvergoeding is toegekend aan de rechtsbijstandverlener (zie onder meer de uitspraken van 26 november 2003 en 11 februari 2004 in de zaken met nrs. 200306263/2 en 200306263/3; gepubliceerd in JSV 2004/151 en 153). In hetgeen de rechtbank heeft overwogen acht de Afdeling geen grond gelegen om thans tot een ander oordeel te komen. Dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, de artikelen 7:15, tweede lid, en 7:28, tweede lid, van de Awb de mogelijkheid bieden de kosten van de belanghebbende te vergoeden en hieronder de rechtzoekende moet worden verstaan, is weliswaar juist, maar daaraan kan niet de conclusie worden verbonden dat de in bezwaar toegekende kostenvergoeding nimmer kan worden verrekend met de op basis van een toevoeging door de raad aan de rechtsbijstandverlener te betalen vergoeding. Integendeel, in de hiervoor in 2.4 genoemde memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Kosten bestuurlijke voorprocedure is vermeld dat ingevolge die bepalingen artikel 57b, tweede lid (lees: artikel 243, tweede lid), Rv van overeenkomstige toepassing is en dat in gevallen, waarin op grond van de Wrb voor het bezwaar of administratief beroep een toevoeging is verleend uitbetaling van de kostenvergoeding aan de griffier plaatsvindt. Voorts is daarin vermeld dat in gevallen waarin geen beroep op de rechter wordt ingesteld na de beslissing op het bezwaar of beroep het de meest praktische werkwijze is dat het bestuursorgaan handelt op de manier waarop de griffier wordt verondersteld te handelen. Het is dan het meest praktisch dat het bestuursorgaan de kostenvergoeding naar de advocaat overmaakt, zodat die kan zorgen voor verrekening met de eigen bijdrage, aldus de memorie van toelichting. Hieruit kan worden afgeleid dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om met de artikelen 7:15, tweede lid, en 7:28, tweede lid, van de Awb de rechtzoekende een exclusieve aanspraak te geven op de gehele kostenvergoeding, te meer nu de kosten van de rechtzoekende doorgaans zijn beperkt tot de eigen bijdrage die hij is verschuldigd.
200902857/1, komt daarvan, gelet op artikel 7:15, tweede lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 243, tweede lid, Rv, het bedrag van de eigen bijdrage - hier onderscheidenlijk