Uitspraak
200203522/1, biedt dit artikel geen grondslag voor verrekening van de rechtstreeks aan de rechtszoekende toegekende vergoeding met de door het bureau aan de rechtsbijstandverlener te vergoeden bedragen. Vast staat dat het UWV de proceskostenvergoeding als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb niet aan [wederpartij] als rechtsbijstandverlener maar aan diens cliënt, de rechtzoekende, heeft toegekend. Daarmee is niet [wederpartij] maar diens cliënt rechthebbende op dat bedrag. Dat dit bedrag vervolgens op de derdenrekening van het advocatenkantoor van [wederpartij] is overgemaakt, verschaft de raad nog geen titel voor verrekening van dit bedrag met de aan [wederpartij] toekomende vergoeding voor verleende rechtsbijstand. [wederpartij] kan immers geen recht doen gelden op dit bedrag als bedoeld in artikel 32, derde lid, van het Bvr. Dat met die betaling feitelijk - en op een wijze als weergegeven bij de door de raad aangehaalde Memorie van Toelichting - overeenkomstig het bepaalde in artikel 243, tweede lid, van het Rv is gehandeld, kan daaraan niet afdoen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat artikel 32, derde lid, van het Bvr in dit geval geen grondslag biedt voor verrekening.