Uitspraak
200506288/1,
200506283/1,
200506839/1,
200506285/1,
200506843/1,
200506286/1en
200506292/1, staat, gelet op het doel en de strekking van de Rwc, niet tegen alle onderdelen van het reconstructieplan beroep open. De indicatieve, niet bindende elementen van het provinciale beleid voor de uitvoering van de Rwc zijn niet gericht op enig rechtsgevolg. Tegen deze onderdelen van het reconstructieplan kan dan ook geen beroep worden ingesteld. De beroepen, voor zover gericht tegen deze onderdelen, zijn dan ook niet-ontvankelijk.
200506285/1, aldus [appellant sub 17].
200506288/1,
200506283/1,
200506839/1,
200506285/1,
200506843/1,
200506286/1onderscheidenlijk
200506292/1, heeft de Afdeling de door provinciale staten gehanteerde uitgangspunten voor de zonering intensieve veehouderij niet onredelijk geacht.
200506283/1, niet onredelijk geacht.
200506283/1, overwogen dat de gronden ten westen van De Hultense Leij in strijd met de uitgangspunten grotendeels zijn begrensd op minder dan 250 meter afstand van een als B-gebied aangemerkt natuurgebied en dat provinciale staten niet hebben gemotiveerd waarom desondanks het gehele gebied als landbouwontwikkelingsgebied is aangemerkt.
200506843/1de gronden als verwevingsgebied hadden moeten aanmerken. Volgens [appellant sub 1] hebben provinciale staten thans nog steeds niet gemotiveerd waarom de begrenzing kon worden gebaseerd op het uitgangspunt dat stankzones rondom steden, dorpen, niet-agrarische lintbebouwing, bebouwingsclusters en andere grote stankgevoelige objecten worden begrensd als extensiveringsgebied. Voor zover provinciale staten zich op het standpunt hebben gesteld dat het bedrijventerrein Vorstengrafdonk zelf tot het stedelijk gebied gerekend moet worden, begrijpt [appellant sub 1] niet waarom dat destijds tijdens de zitting in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak nr. 200506843/1 niet naar voren is gebracht.
200506843/1heeft de Afdeling op het beroep van [appellant sub 1] tegen de voornoemde zonering als volgt geoordeeld:
200506843/1niet onredelijk geacht.
200506843/1heeft de Afdeling over voornoemde zonering als volgt geoordeeld:
200506843/1niet onredelijk geacht.
200506285/1, betreffende het reconstructieplan De Meierij, voor zover hier van belang, heeft de Afdeling het volgende overwogen:
200506285/1is, voor zover hier van belang, het besluit tot vaststelling van het reconstructieplan vernietigd, voor zover ter plaatse van het bouwblok van het bedrijf aan Nergena 36 te Boxtel de gronden als extensiveringsgebied zijn aangeduid.
200506285/1is overwogen dat ook overigens niet is gebleken van omgevingskwaliteiten die voorschrijven dat de onderhavige gronden dienen te worden begrensd als verwevingsgebied en zich geen gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan, met name niet met betrekking tot het vraagstuk rondom de verstedelijking, menen provinciale staten dat zij hebben mogen kiezen voor het aanwijzen van de gronden als landbouwontwikkelingsgebied.
200506285/1heeft de Afdeling hierover als volgt overwogen:
200506285/1niet onredelijk geacht.
200506285/1miskend. In dit verband wijst hij er op dat de Afdeling naar aanleiding van het beroep van zijn [buurman], heeft overwogen dat voor het gehele gebied niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van verwevingsgebied.
200506285/1provinciale staten aanleiding hadden moeten zien eveneens zijn gronden opnieuw te zoneren, overweegt de Afdeling dat de overwegingen hier niet toe strekken.
200506286/1, hadden moeten onderzoeken of de bosstrook die ten zuidwesten van het perceel Bleek 32 ligt, is aangelegd of begrensd nà 1 mei 1988. Verder betwist [appellant sub 9] de stelling van provinciale staten dat de bosstrook in de desbetreffende bestemmingsplannen de bestemming bosgebied heeft en dat het bos dateert van vóór 1988. Hij wijst er op dat deze stelling niet door onderzoeken wordt gestaafd. Aan de hand van die onderzoeken had verder kunnen worden vastgesteld of het bosgebied als kwetsbaar in de zin van artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wav had moeten worden aangemerkt. Tot slot betoogt [appellant sub 9] dat het bosgebied geen kwetsbaar en voor verzuring gevoelig gebied is, aangezien het zich pas in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld tot bos.
200506292/1, betreffende het reconstructieplan Peel en Maas, voor zover hier van belang, heeft de Afdeling het volgende overwogen:
200506292/1het volgende overwogen:
200506288/1,
200506283/1,
200506839/1,
200506285/1,
200506843/1,
200506286/1en
200506292/1, heeft de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 6 juli 2005, nr.
200405077/1, overwogen dat de zonering intensieve veehouderij, bezien in het licht van artikel 27 van Pro de Rwc, in het kader van een reconstructieplan volledig moet zijn afgewogen op bouwblokniveau, hetgeen is miskend door in de reconstructieplannen een aantal bouwblokken te voorzien van twee zoneringsaanduidingen. Dit heeft de Afdeling in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel geacht. Naar het oordeel van de Afdeling werd deze strijdigheid niet weggenomen doordat in de reconstructieplannen afzonderlijk beleid voor doorsneden bouwblokken was opgenomen, nu de bestemmingsplanwetgever bij de toepassing van dat beleid nog een beoordeling diende te verrichten en voorts onder omstandigheden een keuze kon maken welke ontwikkelingsmogelijkheden voor een doorsneden bouwblok zouden gelden. Bovendien heeft de Afdeling rechtsonzeker geacht dat op de plankaarten twee gebiedsaanduidingen voorkwamen, maar blijkens de plantekst slechts één daarvan van toepassing is. Gelet hierop zijn de besluiten tot vaststelling en goedkeuring van de reconstructieplannen vernietigd, voor zover bouwblokken zijn voorzien van twee zoneringsaanduidingen.
200506288/1,
200506283/1,
200506839/1,
200506285/1,
200506843/1,
200506286/1en
200506292/1, heeft overwogen dat door bouwblokken te voorzien van twee zoneringsaanduidingen, in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is gehandeld. Zoals de BMF en anderen hebben betoogd, brengt dit echter niet met zich dat aan gekoppelde bouwblokken die niet door een harde grens worden doorsneden, zonder meer het relatief lichtste regime moet worden toegekend. Ook ten aanzien van deze bouwblokken hadden provinciale staten afzonderlijk de relevante feiten en belangen moeten vergaren en afwegen, zoals in dit geval de ligging nabij de zone van 220 meter rondom een A-gebied. Nu dit is nagelaten, is de herziening ook in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.