Uitspraak
200604978/1), mag het beleid, neergelegd in de Handleiding, dienen als uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag, of sprake is van ernstige vermoedens dat de betrokkene gevaar oplevert voor de openbare orde. Het door [appellant] aangevoerde geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, reeds omdat het bepalen van de voorwaarden voor de verkrijging en het verlies van de nationaliteit behoort tot de bevoegdheid van elke lidstaat van de Europese Unie afzonderlijk (arrest van het HvJ EG van 20 februari 2001 in zaak nr. C-192/99, Jur. 2001, p. I-01237). Volgens voormeld arrest dient deze bevoegdheid weliswaar met inachtneming van het gemeenschapsrecht te worden uitgeoefend, maar de naturalisatie van een persoon die, zoals hier aan de orde, niet de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie bezit, komt, naar analogie van rechtsoverweging 16 van het arrest van het HvJ EG van 14 oktober 2008 in zaak nr. C-353/06 (curia.europa.eu), niet binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht, omdat deze situatie geen enkel verband met het gemeenschapsrecht vertoont. De rechtbank heeft bij de toetsing van het besluit van 17 januari 2007 terecht het in de Handleiding uiteengezette beleid over de toepassing van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN bepalend geacht.
200800329/1), dient het bevoegd gezag bij de toepassing van het beleid ten aanzien van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN er rekening mee te houden dat zich omstandigheden kunnen voordoen op grond waarvan slechts tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen indien van dat beleid wordt afgeweken. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de door [appellant] aangevoerde omstandigheden niet kunnen worden aangemerkt als zodanig bijzonder dat de minister - in afwijking van het door hem gevoerde beleid - tot de conclusie had moeten komen dat geen sprake was van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN bedoelde situatie. Hierbij wordt voorts in aanmerking genomen dat de omstandigheid dat [appellant] nooit de intentie heeft gehad een misdrijf te plegen, wat daar ook van zij, de ernst van de inbreuk op de rechtsorde waarvoor de taakstraf ten uitvoer is gelegd onverlet laat.