Uitspraak
200602968/1heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, die beslissing bevestigd. De Afdeling heeft in haar uitspraak in het kader van de vraag of het oprichten van de bedrijfswoning noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering, zoals bepaald in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften, overwogen dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van de Afdeling niet is gebleken dat de bedrijfsvoering ter plaatse zoveel tijd en aandacht van de directeur of medewerkers van Kwekerij Stuifakker opeist dat op grond daarvan een noodzaak als bedoeld in artikel 1, tweeëntwintigste lid, van de planvoorschriften moet worden aangenomen om op het bedrijfsperceel te wonen. De Afdeling heeft in die uitspraak tevens in aanmerking genomen dat Kwekerij Stuifakker met haar stellingen ter zitting van de rechtbank dat de voorgestane teelt continu bijsturing behoeft, dat zeer geregeld gewascontrole nodig is en dat ook de beregening niet computergestuurd wordt, de noodzaak van het ter plaatse wonen niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt en voorts overwogen dat deze noodzaak niet wordt onderbouwd in enig deskundigenrapport.
200307117/1en 24 januari 2007 in zaak nr.
200606520/1overwogen dat de term "noodzaak", zoals gebezigd in de hiervoor weergegeven passage in de uitspraak van 17 januari 2007, aldus moet worden uitgelegd dat de betrokkene een reëel belang moet hebben om bij het bedrijf te wonen. De rechtbank heeft evenzeer terecht de geciteerde passage aldus begrepen dat de Afdeling in die uitspraak heeft geoordeeld dat Kwekerij Stuifakker nog niet aan de hand van enig deskundigenrapport aannemelijk heeft weten te maken dat zij een dergelijk belang heeft.