Uitspraak
200703885/1) rust de bewijslast dat het overgangsrecht van toepassing is in beginsel op degene die zich daarop beroept.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Cuijk wees het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen de bedrijfsactiviteiten van belanghebbende A af. Appellant stelde dat het gebruik van het perceel in strijd was met het bestemmingsplan en dat het overgangsrecht niet van toepassing was omdat geen bewijs was geleverd dat het gebruik reeds bestond op de peildatum.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek van appellant een herhaalde aanvraag was zonder nieuwe feiten of omstandigheden, waardoor het beroep ongegrond werd verklaard. De Raad van State stelde vast dat appellant geen rechtsopvolger is van de eerdere aanvrager en dat het verzoek niet als herhaalde aanvraag kan worden aangemerkt.
De Raad beoordeelde vervolgens de beroepsgronden inhoudelijk. Het bestemmingsplan kende het perceel de bestemming agrarisch toe, terwijl het gebruik voor handel in bestratingsmaterialen daarmee in strijd was. Het college stelde dat het gebruik reeds bestond op de peildatum 17 augustus 1995 en daarom onder het overgangsrecht viel. De Raad oordeelde dat de bewijslast voor het overgangsrecht bij degene ligt die zich daarop beroept, maar dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het gebruik niet reeds bestond. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van gronden.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van de gronden.