Uitspraak
200700603/1, bevat artikel 19d van de Nbw 1998 voldoende elementen die een interpretatie van deze bepalingen conform artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn mogelijk maken.
Raad van State
Het college van gedeputeerde staten van Overijssel verleende een vergunning voor de oprichting van een windturbinepark nabij de beschermde gebieden Weerribben en De Wieden. Staatsbosbeheer en anderen stelden beroep in tegen dit besluit, stellende dat onvoldoende was verzekerd dat de windturbines geen schadelijke gevolgen zouden hebben voor de populatie purperreigers in deze gebieden.
De Raad van State oordeelde dat het college zich had gebaseerd op onderzoeken die een verwachte jaarlijkse sterfte van 0,08 tot 0,8 purperreigers voorspelden, wat onder de gehanteerde grens van 1% van de natuurlijke sterfte lag. Dit criterium werd als wetenschappelijk onderbouwd aanvaard. Echter, het college had ten onrechte de cumulatieve effecten van het windturbinepark en de geplande woningbouw in Meppel onvoldoende betrokken.
Daarnaast ontbrak in de vergunning een voorschrift voor monitoring en de mogelijkheid om op basis van de resultaten maatregelen te nemen. Hierdoor was het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De Raad van State verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard en het besluit tot vergunningverlening is vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldigheid en het ontbreken van een monitoringsvoorschrift.