ECLI:NL:RVS:2009:BH4190
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens ontbreken consulaire bijstand
De vreemdeling werd op 14 oktober 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld wegens het vermoeden dat hij zich aan zijn uitzetting zou onttrekken. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, oordeelde dat het niet wijzen op het recht op consulaire bijstand een ernstig gebrek vormde en hief de bewaring op, met toekenning van schadevergoeding.
De staatssecretaris van Justitie stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Deze overwoog dat het ontbreken van een waarschuwing over consulaire bijstand weliswaar een belangenschending kan opleveren, maar dat de vreemdeling de gronden voor bewaring niet had bestreden en bewust niet meewerkte aan zijn verwijdering. Er was geen sprake van zwaarwegende belangen zoals criminele antecedenten of gevaar voor de staatsveiligheid.
De Raad van State oordeelde dat de belangenafweging door de rechtbank onvoldoende was en dat de belangen van de staat bij bewaring in redelijke verhouding stonden tot het gebrek. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de vreemdelingenbewaring blijft van kracht.