ECLI:NL:RVS:2008:BD8594
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Rechtmatig verblijf ondanks niet-wettelijke indieningsplaats aanvraag verblijfsvergunning
De vreemdeling diende op 15 mei 2008 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bij het kantoor van de IND te Hoofddorp, terwijl hij zich in detentie bevond. De rechtbank verklaarde deze aanvraag niet rechtsgeldig vanwege het niet indienen op de wettelijk voorgeschreven plaats en wees het beroep ongegrond.
De Raad van State oordeelde echter dat het bij artikel 3.101, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 bepaalde alleen betrekking heeft op de plaats van indiening en dat het niet voldoen aan deze plaatsvereiste niet betekent dat er geen aanvraag is als bedoeld in artikel 14 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hierdoor had de vreemdeling met ingang van 15 mei 2008 rechtmatig verblijf.
Verder werd geoordeeld dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring onrechtmatig was omdat de vreemdeling rechtmatig verblijf had vanaf die datum. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, terwijl het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Andere beroepsgronden werden niet behandeld omdat zij niet in hoger beroep waren aangevoerd en geen nauwe verwevenheid vertoonden met de aan de orde gestelde grieven.
Uitkomst: De Raad van State oordeelt dat de aanvraag verblijfsvergunning ondanks niet-wettelijke indieningsplaats rechtsgeldig is, waardoor de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft vanaf 15 mei 2008.