ECLI:NL:RVS:2008:BD7521
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- P.A. Offers
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep vreemdelingenbewaring en rechtsbijstand bij verhoor
De vreemdeling stelde beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank die zijn beroep tegen de inbewaringstelling ongegrond verklaarde en zijn verzoek om schadevergoeding afwees. De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdeling tijdig was gewezen op zijn bevoegdheid zich bij het verhoor te laten bijstaan door een raadsman, zoals voorgeschreven in artikel 4.18 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had overwogen dat het niet tijdig wijzen op deze bevoegdheid niet automatisch betekent dat van de vreemdeling kan worden verlangd dat hij zelf om rechtsbijstand verzoekt, omdat hij doorgaans onvoldoende kennis heeft van de relevante regelgeving. Hoewel de rechtbank nagelaten had dit expliciet te motiveren, was er geen sprake van bijzondere omstandigheden die dit anders maakten.
Verder stelde de Raad vast dat de belangen van de bewaring in redelijke verhouding stonden tot de ernst van het gebrek en de geschonden belangen. De grieven van de vreemdeling konden daarom niet leiden tot vernietiging van de uitspraak. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, zij het met verbetering van de gronden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.