Uitspraak
200201436/1, bij de vergunningverlening geen rekening hoeft te worden gehouden met mogelijke hinder die een omwonende ondervindt als gevolg van een bijzondere gevoeligheid voor de vergunde activiteiten. Het betoog van appellanten sub 2 slaagt in zoverre derhalve niet.
200604950/1kunnen de gevolgen voor het milieu van af- en aanrijdend (vracht)verkeer niet meer aan het in werking zijn van de inrichting worden toegerekend, indien dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit laatste is het geval op het moment dat het af- en aanrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat daarvan sprake is op een afstand van 300 meter van de inrichting. De hinder die van verkeer op een afstand van meer dan 300 meter wordt ondervonden kan derhalve niet meer aan het in werking zijn van de inrichting worden toegerekend.